Artikel 346 VWEU onder de loep: de Raad van State verduidelijkt de toepassing ervan op overheidsopdrachten voor defensie

De Raad van State heeft op 16 februari 2026 een belangrijk arrest geveld in kader van overheidsopdrachten voor defensie. Het arrest (nr. 265.758) verwerpt het beroep van de Duitse wapenproducent Heckler & Koch en bevestigt de wettigheid van de gunningsbeslissing die werd genomen met toepassing van artikel 346 VWEU.
Het arrest verduidelijkt hoe artikel 346 VWEU kan worden toegepast binnen de overheidsopdrachten voor defensie.
Artikel 346 VWEU als centraal punt
Volgens artikel 346, §1, b) VWEU kan elke lidstaat maatregelen nemen die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid én die betrekking hebben op de productie van of de handel in wapenen, munitie en oorlogsmateriaal. Die maatregelen mogen evenwel de mededingingsverhoudingen op de interne markt niet verstoren voor producten die niet specifiek bestemd zijn voor militaire doeleinden.
Het bovengenoemd artikel laat de lidstaten aldus toe om af te wijken van de klassieke aanbestedingsregels wanneer de bescherming van essentiële veiligheidsbelangen dit vereist. De bepaling dient dan ook als een strikte uitzondering geïnterpreteerd te worden.
Essentiële veiligheidsbelangen?
Verzoekende partij meent dat verwerende partij, in deze de Belgische Staat,vertegenwoordigd door de minister van Defensie, ten onrechte een beroep deed op artikel 346, §1, b) VWEU en de betreffende opdracht heeft gegund zonder een beroep te doen op de mededinging. Voormelde bepaling zou zijn geschonden om volgende redenen:
- het partnerschap heeft betrekking op lichte wapens en munitie, geen materiaal met een specifiek militaire bestemming
- het partnerschap met de gekozen onderneming zou zijn gesloten tegen een niet-marktconforme prijs, waardoor haar positie op de interne markt voor deze producten fundamenteel wordt versterkt
- andere EU-lidstaten kunnen aan het partnerschap deelnemen, zodat het probleem op dit vlak in de gehele Europese Unie kan doorwerken
Ook betwist verzoekende partij dat het partnerschap betrekking heeft op de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogsmateriaal.
Volgens verwerende partij was de toepassing van artikel 346, §1 b) VWEU evenwel gerechtvaardigd, daar zij diende om:
- de operationaliteit te garanderen, met name door de bevoorradingszekerheid en de strategische autonomie te behouden; en
- te voldoen aan de toekomstige behoeften aan lichte bewapening en munitie, zowel kwantitatief als kwalitatief.
Met het oog op deze doelstellingen omvat het beoogde partnerschap vijf hoofdonderdelen, namelijk:
- het behoud van het patrimonium en preventief, correctief en evolutief onderhoud;
- het beheer van het patrimonium;
- ‘engineering, consulting en onderzoek & ontwikkeling’;
- huur van wapens of wapensystemen; en
- levering van munitie.
Beoordeling Raad van State
De Raad van State stelt vast dat de aan te schaffen producten machinegeweren en vol- en halfautomatische wapens (ML1.a en b) evenals de munitie voor die wapens (ML3) betreffen en dat de producten wel degelijk worden gebruikt voor militaire doeleinden en geen politionele of civiele doeleinden.
De aan te schaffen goederen zijn, aldus de Raad, objectief en een subjectief gezien, bestemd voor specifiek militaire doeleinden. Het gegeven dat het aan te schaffen materiaal in de toekomst potentieel ook door de geïntegreerde politie zou kunnen worden gebruikt, en aldus een eventuele civiele bestemming kan verkrijgen, volstaat op zich niet om te besluiten dat dit materiaal, objectief en subjectief gezien, niet voor een specifiek militair doel zou zijn bestemd.
Volgens de Raad van State maakt verwerende partij het aannemelijk dat elk van de vijf hoger vermelde hoofdonderdelen van het partnerschap dienstig is ter bescherming van de essentiële veiligheidsbelangen en deze onderdelen niet objectief scheidbaar zijn.
Dit arrest van de Raad van State verduidelijkt niet alleen het toepassingsgebied van artikel 346 VWEU, maar licht ook de beoordelingsvrijheid van de lidstaten toe, en dit zowel om te bepalen wat een dergelijk essentieel veiligheidsbelang is dat moet worden beschermd, als om te bepalen in hoeverre de maatregel daartoe noodzakelijk is. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van de opportuniteit van de maatregel. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
